maandag 20 februari 2012 16:04
Dit waren seizoenarbeiders uit Duitsland (voornamelijk uit Westfalen in de zeventiende tot en met de negentiende eeuw). In de zomer kwamen ze te voet naar Friesland om op het te land werken.
De term hannekemaaier is afkomstig van de naam Johannes, doorgaans afgekort tot Hannes, ontleend aan de dag van traditionele in-dienst-treding, Sint Johannesdag (24 juni).
De eerste hannekemaaiers kwamen om gras te maaien. Toen bekend werd dat Nederlanders geïnteresseerd waren in Duitse koopwaar, namen sommige Hollandgangers om extra geld te verdienen, deze waren (meestal textiel) mee in op de rug gedragen manden.
Naar schatting 140.000 uit het huidige Duitsland afkomstige hannekemaaiers hebben zich tussen 1815 en 1850 blijvend in Nederland gevestigd.
Vanaf de zeventiende- tot de negentiende eeuw had Friesland in het zomerseizoen behoefte aan arbeiders voor de Friese landbouw. Met name voor de hooibouw (ca. 3.000 arbeiders van buiten de provincie omstreeks 1811) en de verveningen (ca. 2.000) Vooral Westfaalse hannekemaaiers (mieren of poepen) voorzagen in de behoefte. In hun kielzog kwamen er nog honderden marskramers met textiel, wevers en eekschillers.
Er zijn een aantal brieven van 'graspoepen' of 'mieren' bewaard gebleven. Dit soort arbeiders hadden de gewoonte om in winter en voorjaar te corresponderen met 'hun' boer in het verre Friesland. De eerste contacten tussen werkgever en werknemer kwamen weliswaar dikwijls op de markten ('s maandags te Oldeboorn en Joure, dinsdags te Sneek, donderdags te Bolsward en vrijdags te Leeuwarden) tot stand. Was het werk na een seizoen wederzijds goed bevallen, dan kon de arbeider het volgend jaar weer terugkomen. Wel was het de gewoonte deze overeenkomst via een briefwisseling te bevestigen. Een aantal brieven afkomstig van hooiers uit het dorp, Brual aan de Eems zijn bewaard gebleven.
Brual
Brual is het noordelijkste kerkdorp van het katholieke Eemsland op de linkeroever van de rivier. In het noorden grenst het aan het 'reformierte' Reiderland, het meest westelijke deel van Oost-Friesland. Ten westen van Brual ligt de Groningse gemeente Bellingwolde, een in meerderheid Nederlands-hervormde plaats.
Het dorpsgebied, dat tot de gemeente Rhede behoort, strekt zich uit van de Eems in het oosten tot de venen op de Nederlands-Duitse grens in het westen. Tijdens het Ancien Regime hoorde het bij het Bisdom Münster, vanaf 1815 tot 1866 tot het Koninkrijk en vanaf toen tot de Pruisische provincie Hannover.
Het dorp kende een oost-west deling. Op de vruchtbare maar smalle Eemsoever lagen een vijftal grote bedrijven van ieder 20/30 ha. Daarachter volgden evenveel middelgrote bedrijven en nog meer westelijk, op de aan snee gebrachte veengronden, meer dan zestig boerderijtjes, slechts enkele ha groot, gedreven door keuterboeren/veenarbeiders. Nog westelijker ten slotte strekten zich de onafzienbare onontgonnen venen, heidevelden en moerassen uit tot aan de landsgrens.
De sociale tegenstellingen in het dorp waren groot: de grote boeren langs de rivier bezaten de kerkelijke en burgerlijke macht. Zij namen voor de roggeoogst de bevolking van die keuterboerderijtjes tijdelijk in dienst. Hoe feodaal de verhoudingen aan het begin van deze eeuw nog waren blijkt uit de toen nog bestaande gewoonte dat deze arbeiders niet in baar geld werden uitbetaald maar genoegen namen met het recht de slootkanten van hun werkgevers te mogen maaien. Met dat hooi konden zij dan in de winter hun kleinvee in leven houden.
De guldens, te verdienen met de 'Frieslandsgang' waren voor hen onontbeerlijk en bovendien praktisch het enige geld dat ze in handen kregen.
December 1811 berichtte de maire van Heede en Rhede dat er dat jaar uit Brual zes personen naar Friesland waren gegaan om daar de hele zomer met timmeren de kost te verdienen. Verder waren zeven personen rond 'Joanni' (24 juni) vertrokken, om te gaan hooien en na 'Jacobi' (25 juli) nog twaalf om in Oost-Friesland te helpen bij de graanoogst. Deze maire schatte de netto verdienste op een gulden per dag. Het meest opvallende in dit bericht is dat uitdrukkelijk wordt gesteld dat verscheidene arbeiders in Friesland gaan hooien en na terugkomst, meteen in Oost-Friesland graan oogsten. Voor hen moet de noodzaak elders werk te zoeken bijzonder dwingend zijn geweest. De schulden gedurende het jaar gemaakt, werden na terugkomst terugbetaald, men voldeed dan pacht en belastingen en zo begon alles weer van voren af aan.
Veel Brualer keuters kwamen zo het jaar rond; na de winter maakten zij de akker klaar en zaaiden ze deze in. Van maart tot en met mei staken ze turf en in juni ging de man naar Friesland om te hooien, de vrouwen de kinderen zorgden voor het vee - een varken, een koe en een geit - en droogden de turf.
Eind juli kwam de man dan weer terug, om korte tijd daarna voor de graanoogst naar Oost-Friesland of Groningen te vertrekken.*) Deed hij dat niet dan ging hij rogge maaien bij de plaatselijke grote boeren. Ook moesten de gezinsleden tussendoor nog de eigen oogst zien binnen te halen. In het najaar werd de turf in de schuur gebracht en het varken geslacht. Dan begon de winter met allerlei vormen van huisnijverheid en smokkelen. Zo kon men de eindjes aan elkaar knopen en emigratie naar Amerika vermijden.
Deze situatie bleef tot ongeveer de Eerste Wereldoorlog voortbestaan. De voortgaande ontvening en ontginning met behulp van kunstmest alsook het opbloeien van de industrie, boden vanaf het einde der negentiende eeuw alternatieven inkomen dichter bij huis te verwerven.
Na 1914 kwamen er geen Oostfriese maaiers meer. Arbeiders uit Zuid-Drachten namen hun plaats in tot ongeveer 1920. .
*) De avond voor hun vertrek werden de arbeiders door de boer getrakteerd op het 'hooimaal'. Dit bestond uit nieuwe aardappelen, rijst met rozijnen en boter en uit koek en wijn. Bij de eerste teug spraken de hooiers de volgende zegewens uit: 'Boer, zegen met het hooi en we hopen dat u het in gezondheid moogt opvoeren'.
Vermeldenswaard is nog dat de katholieke hooiers verlof kregen om op Petrus en Paulus, 29 juni, ter kerke te gaan. Was gezien de weersomstandigheden op die dag hun werk vereist, dan kregen ze daartoe wel dispensatie van de paters.
| Volgende > |
|---|