Home Poëzie Overkant

Overkant

Terwijl het de roeier te binnen schiet hoe het kan

(geit mee, dan wolf, geit mee terug, achterlaten

kool mee, dan geit weer gaan halen) ziet hij

de kool in de geit, de geit in de wolf verdwijnen.

Dool wolf, denkt hij, dool en eet. Alleen mijn boot

breng ik nog naar de overkant

die niet meer zo hoeft te heten.

 

Het water vraagt in het voorbijgaan: wat moet

een roeier met oevers? Ik wacht, zegt de roeier

op wat er uit kleigrond zal groeien dat ik een

verrassende naam geef, ik wacht op een dier

dat tevoorschijn zal komen dat melk draagt

geluid zonder woorden maakt en

op mijn schoot blijkt te passen.

 

 

Joke van Leeuwen (1952)

uit: Half in de zee (2012)

 

© Pluskrant